China PDF Print E-mail

Na de dood van zijn meester, reisde Bodhidharma naar China, alwaar hij zelf les gaf. Zijn leven was gericht rond de ‘Shaolin’ tempel en het nabijgelegen klooster.

Toen hij zag in welke slechte lichamelijke conditie de plaatselijke monniken waren, onderwees hij hen in lichamelijke oefeningen, opdat hun lichaam in dezelfde optimale conditie zou zijn als hun geest.
De oefening die hij onderwees werd de ’18 handen van Lo-Han’ genoemd. Deze oefening hield eveneens een bepaalde manier van ademhalen in. Hij wist dat deze oefeningen toelieten het lichaam te zuiveren.

In een later stadium begonnen de monniken de dieren te bestuderen en ontwikkelden zij bepaalde vormen en posities, die gebaseerd was op hun manier van vechten, later gekend als Chan-Fa, “De weg van de vuist”. Het is belangrijk op te merken dat de reden van de beoefening ervan kunst was, lichamelijke training en uiteindelijk zelfverdediging.

Gedurende de Sui periode (589-618) werd het klooster meermaals belaagd door bandieten voor voedsel en voorwerpen met enige waarde. Om hun leven en hun geliefde klooster te beschermen, gebruikten de monniken de kunst van Chuan-Fa en versloegen zij de bandieten.

De reputatie van de ‘Shaolin Vechtmonniken’ verspreidde al snel en zo kregen zij heel wat kandidaten om de gevechtskunst samen met de leer van het Boeddhisme te studeren. Ondertussen zijn er honderden stijlen en is de achterliggende filosofie geëvolueerd, afhankelijk van de respectievelijke hoofdmeesters van de diverse stijlen. In 1609 werd de stijl gebracht naar Okinawa naar aanleiding van de Japanse invallen, waar het onderhevig was aan heel wat invloeden en veranderingen en waar het later bekend werd als karate-do.